Skip links

Totale heup prothesen en revisies

(THP)

Totale heup prothesen en revisies

Anatomie

Het heupgewricht is een kogelgewricht: kop en kom passen precies in elkaar. De heupkom is onderdeel van het bekken. De heupkop is de bol van het gewricht en maakt deel uit van het dijbeen. Zowel kom (‘acetabulum’) als kop zijn bedekt met kraakbeen dat werkt als glijlaag van het gewricht. In combinatie met het gewrichts(smeer)vocht zorgt dit ervoor dat het heupgewricht vrijwel zonder wrijving beweegt. Aan de rand van de heupkom bevindt zich een kraakbeenring (‘labrum’), die het dragend oppervlak van de heupkom vergroot maar vooral functioneert als afsluitring om de gewrichtsvloeistof in het gewricht te houden.

Om het heupgewricht zit een zeer stevig gewrichtskapsel. Dit zorgt ervoor dat de kop in de kom blijft. Aan de binnenkant van het kapsel bevindt een dun laagje slijmvlies dat het gewrichtsvocht produceert en het gewricht smeert.

 

Rondom het heupgewricht bevinden zich vele spieren. Naast het bewegen van het been dragen deze actief bij aan de stabiliteit van het gewricht. De belangrijkste heupspiergroepen zijn: de extensoren, de abductoren en de exorotatoren.

 

Extensoren zijn bovenbeenstrekkers. Vooral de grote bilspier of gluteus maximus. De extensoren gebruik je met name bij het opkomen uit een zittende positie zoals het opkomen uit een stoel, auto of toilet.

 

De abductoren zwaaien het bovenbeen naar buiten. Vooral de middelste bilspier of gluteus medius. De abductoren stabiliseren het bekken bij het lopen. Bij een zwakte van deze spieren ontstaat een typisch en hinderlijk waggelend looppatroon (Trendelenburg gang).

 

De exorotatoren (die het bovenbeen naar buiten draaien) o.a. piriformis spier. De exorotatoren stabiliseren ook de heup.

 

Slijtage

 

De functie van de heup is het dragen en voortbewegen van het lichaam. Hierbij komen er weliswaar grote krachten op het gewricht en kraakbeen te staan, maar de meest voorkomende oorzaak voor het ontstaan van slijtage van de heup (coxartrose) is een vormafwijking of afwijkende passing van de kop in kom zoals heupdysplasie of heup-impingement.

Wanneer de heup slijt wordt het kraakbeen steeds dunner en ontstaan de typische afwijkingen die vaak goed te zijn op een röntgenfoto.

Patiënten met een versleten heup kenmerken zich door toenemende pijn en verlies van bewegingsvrijheid.

 

Symptomen

Typische symptomen die horen bij een versleten heup zijn:

  • Pijn in de lies en/of bilstreek met uitstraling tot in de knie
  • Pijn bij het starten van beweging
  • Stijf gevoel met name in de ochtend
  • Pijn in de lies of bil bij het door de benen gaan, het opstaan uit een stoel of bij traplopen
  • Nachtelijke pijn rond de heup
  • Minder kracht in de bovenbenen of vermoeidheid na inspanning

 

Behandeling

In eerste instantie kunnen deze klachten, vaak met succes, behandeld worden zonder operatie. Ook uw huisarts kan u hierin al adviseren. Medicatie in de vorm van ontstekingsremmers (NSAID’s zoals Diclofenac) of speciale oefeningen voorgeschreven door een fysiotherapeut kunnen helpen. Ook een injectie met corticosteroïden in het heupgewricht kan de ontstekingsreactie, die bij artrose in het gewricht ontstaat tijdelijk onderdrukken. Na verloop van tijd echter bestaat de kans dat al deze conservatieve middelen niet meer het gewenst effect hebben en komt de patiënt in aanmerking voor het plaatsen van een heupprothese.

Totale Heup Prothese (THP)

Een totale heupprothese bestaat uit 3 onderdelen: de kop, de kom en de steel.

  • De kop is bolvormig en gemaakt van keramiek. De kop zit vast aan de heupsteel en draait in de heupkom. De grootte en lengte kan worden aangepast aan uw eigen anatomie.
  • De heupkom wordt geplaatst in het bekken. Het bestaat uit een titanium kom waarin een lager wordt geplaatst. Deze kan van keramiek zijn of van polyethyleen. Alle materialen zijn lichaamsvriendelijk.
  • De heupsteel is gemaakt van titanium en gecoated met een hydroxyapatiet, een speciaal koraalachtig materiaal dat ingroei in het bot mogelijk maakt.

De uiteindelijke keuze die door de chirurg wordt gemaakt is afhankelijk van een aantal factoren zoals de kwaliteit van uw bot en de eventuele aanwezigheid van aangeboren afwijkingen van het heupgewricht.

Chirurgische benaderingen

Voordat een heupprothese in het bot geplaatst kan worden moet door de orthopedisch chirurg eerst een toegang gemaakt worden (benadering) door de huid en de onderhuidse weefsels. Dit kan op verschillende manieren. De meest gebruikte toegangen zijn achter het heupbot langs (posterieure benadering) of voor het bot langs (laterale benadering). Bij beide methoden moeten spieren worden losgemaakt om het heupgewricht te bereiken. De laterale benadering is betrouwbaar, geeft goede resultaten en weinig kans op luxaties (uit de kom schieten). Een groot nadeel is echter dat hierbij belangrijke spieren aan de voor-buitenzijde worden losgemaakt die essentieel zijn bij het lopen. Dit kan leiden tot een waggelend looppatroon (Trendelenburg gang). Ook kunnen hierbij pijnklachten aan de zijkant van de heup ontstaan die vaak lastig te behandelen zijn.

Bij de posterieure benadering moeten spieren worden losgemaakt die een belangrijke functie hebben bij de stabiliteit van de heup. De nabehandeling kent in het begin restricties om luxaties te voorkomen en de kans op hierop na de operatie is 3-4 %.

Voorste benadering van het heupgewricht (Direct Anterior Approach-DAA, soms ook ‘ASI’ genoemd)

Bij de “voorste benadering” wordt de heup tussen twee spieren door bereikt. Deze spieren liggen meer aan de voorzijde van de heup, vandaar de benaming. De laatste jaren wint deze benadering aan populariteit gezien de snelle revalidatie en hoge stabiliteit van de heup. Deze manier van opereren is niet nieuw. Aan het eind van de 19e eeuw werd deze benadering al gebruikt voor andere doeleinden en in Frankrijk worden al vanaf 1950 op deze manier heupprothesen geplaatst (vandaar dat het ook wel “de Franse methode” wordt genoemd). Een nadeel in die tijd was het gebruik van een speciale tractie-tafel met kans op breuken en zenuwletsel. Sinds 2006 is deze techniek herontdekt en sterk verbeterd. Het wordt in toenemende mate toegepast, ook in Nederland waar nu zo’n 20% van de heupprothesen via deze techniek wordt geplaatst. Deze benadering kan bij elke patiënt worden toegepast.

 

Voordelen DAA

Bij de voorste benadering hoeven geen spieren te worden losgemaakt om het heupgewricht te bereiken. Met name de belangrijke spieren voor een stabiel looppatroon (zonder zwikken) blijven volledig buiten schot. Ook beschadiging van belangrijke zenuwen rond het heupgewricht komt bij deze techniek veel minder voor. De kans dat de heup uit de kom gaat is kleiner dan bij andere benaderingswijzen van heupvervanging.

De wond die bij deze methode gemaakt wordt is niet kleiner dan bij de andere operatietechnieken alhoewel we proberen deze zo klein mogelijk te maken. Het litteken is tussen de 10 en 15 cm lang.

De winst van voorste benadering is dus niet zo zeer een kleiner litteken, maar het intact houden van spieren die voor het lopen en voor de stabiliteit van de heup belangrijk zijn. Dit leidt tot minder pijn, een stabielere heup en een gemakkelijker herstel gedurende de eerste maanden na de operatie.

Nadelen DAA

Een nadeel van deze benadering is het risico op een beschadiging van een zenuw die het gevoel aan de voor-buitenzijde van het bovenbeen verzorgt. Dit treedt in ca 3-5% van de gevallen op. Gelukkig is dit vaak van voorbijgaande aard en de patiënten, die een (vaak klein) gebied van veranderd of verminderd gevoel overhouden rondom het litteken, omschrijven dit niet als hinderlijk.

Nabehandeling DAA

Doordat de spieren rondom de heup intact blijven ervaart U een grote mate van stabiliteit. De nabehandeling kan hierdoor ook minder streng. Zo mag u bijvoorbeeld:

  • op de dag van operatie uit bed en lopen (met één of zonder krukken)
  • als u dat kunt en wilt dezelfde dag nog naar huis. (Meestal gaan patiënten de dag na de operatie naar huis)
  • krukken gebruiken zolang u dat zelf wil
  • slapen op de zij
  • een hometrainer gebruiken
  • autorijden (zodra met één kruk lopen lukt)

Houdt niettemin toch rekening met herstelperiode van twee tot drie maanden. Zo lang heeft het lichaam nodig om de soepelheid en kracht terug te krijgen.

 

Complicaties

De meest voorkomende complicatie van een totale heupprothese is een postoperatieve wondinfectie, dit komt in ongeveer 1% van de gevallen voor en is ook afhankelijk van roken, suikerziekte en overgewicht. Mocht er sprake zijn van een wondinfectie, dan zal de wond rood worden en meer dan 10-14 dagen blijven lekken. Een re-operatie waarbij de wond gespoeld wordt in combinatie met antibiotica levert in vrijwel alle gevallen een goed eindresultaat op.

Volledige of halve prothesen en revisies

Knie behandeling

Volledige of halve prothesen en revisies

Artroscopie (kijkoperatie) knie

De orthopedisch chirurg kan met een artroscopie beter vaststellen wat er mis is in de knie: is er sprake van scheuren in de meniscus of kruisbanden? Losse stukjes bot of kraakbeen? Beschadigingen van het kraakbeen of een slijmvliesontsteking? In de meeste gevallen volgt meteen de behandeling. Het herstel na een kijkoperatie gaat meestal snel. Meestal kunt u uw knie na de operatie meteen belasten.

Een scheur in de meniscus is heel geschikt voor behandeling via een kijkoperatie. De orthopedisch chirurg verwijdert het beschadigde deel van de meniscus. Het deel dat nog heel is, blijft op zijn plaats. Als de scheur in het beter doorbloede gedeelte van de meniscus ligt, kan de meniscus soms gehecht worden. Via een artroscopie kan de orthopedisch chirurg ook losse stukjes kraakbeen en bot weghalen. Een scheur in een kruisband kan niet meteen worden behandeld.

Behandeling

De ingreep duurt ongeveer een half uur. De orthopedisch chirurg maakt aan de voorkant van de knie twee of drie sneetjes. Daarna brengt de hij de artroscoop in de knie: een dunne kijker met een lichtkabel. De artroscoop wordt ook aangesloten op een videocamera en een beeldscherm. Via een aparte aan- en afvoeropening in de knie wordt het gewricht gespoeld met een zoutwateroplossing. De orthopedisch chirurg brengt tijdens de operatie zonodig een tangetje of schaartje in het gewricht voor de behandeling.
Na de ingreep worden de operatiesneetjes gehecht of afgedekt. Als de uw knie niet via de artroscopie te behandelen is, kan de orthopedisch chirurg tijdens de operatie besluiten om een grotere snee in de knie te maken. De nabehandeling kan dan langer duren.

Nabehandeling

Na een eenvoudige kijkoperatie kunt u meestal dezelfde dag naar huis. Soms heeft u een pijnstiller nodig. Paracetamol is dan vaak voldoende. U mag de knie buigen en u mag lopen, maar met mate. De eerste twee tot drie dagen kunt u beter geen wandelingen maken. Krukken zijn alleen nodig op advies van de orthopedisch chirurg. Als uw meniscus gehecht is. mag u de eerste 6 weken de knie niet verder buigen dan 90 graden.

Het verband mag er na enkele dagen af, en dan mag u ook douchen. Een week na de operatie kunt u zelf de pleisters verwijderen.
Na genezing zijn de huidwondjes vaak nog dik. Dit komt doordat het onderliggende gewrichtskapsel ook geopend is geweest en dat heeft iets meer tijd nodig om te genezen. Dit duurt 3 tot 4 weken.

De poliklinische controle is enkele weken na de kijkoperatie. Als het nodig is, krijgt u fysiotherapie. Vaak is zelf oefenen voldoende. Uw arts zal u adviseren de eerste week bijvoorbeeld 5 keer per dag het bovenbeen in zittende houding (op de tafelrand of in een rechte stoel) 10 tot 15 maal 5 seconden lang stevig aan te spannen.

Complicaties
Bij een artroscopie treden zelden complicaties op. In een enkel geval kan er sprake zijn van langdurige en forse zwelling, bloeding in de knie of gewrichtsontsteking. Een hele enkele keer ontstaat een trombosebeen. Er is dan een bloedstolsel dat een ader in het been verstopt.

Knieprothese

 

Totale knieprothese (TKP) of Halve knieprothese

 

Anatomie

Het kniegewricht is een scharniergewricht. Het wordt gevormd door twee botuiteinden: dit zijn de onderkant van het dijbeen en de bovenkant van het scheenbeen. Aan de voorzijde zit de knieschijf. De uiteinden daarvan zijn bedekt met een laagje kraakbeen, zodat de knie soepel beweegt. Aan de binnen- en buitenzijde van de knie zit de meniscus: een soort stootkussen. Midden in het kniegewricht liggen de voorste en achterste kruisbanden. Deze voorkomen dat het onderbeen tijdens het lopen en het maken van draaibewegingen naar voren of achteren schiet.

Slijtage

Bij het ouder worden vermindert de kwaliteit van het kraakbeen. Meestal is dit normale slijtage op oudere leeftijd, de zogenaamde artrose. Verder kunnen kraakbeen- en stofwisselingsziekten ook oorzaken zijn van slijtage. Ook door een botbreuk of reuma of na verwijdering van een meniscus kan slijtage optreden. Doordat de gewrichtsvlakken niet meer soepel langs elkaar kunnen glijden, wordt het bewegen steeds moeilijker en pijnlijker.

Een beschadigde of versleten knie kan allerlei klachten geven:

  • pijn bij het (trap)lopen;
  • pijn als u lang staat;
  • stijfheid bij het opstaan als u gezeten heeft (startpijn);
  • pijn gedurende de nacht;
  • verergering van klachten bij vochtig of koud weer.

 

Behandeling

Eerst wordt gestart met medicijnen en fysiotherapie. Als de klachten u echter te sterk in uw beweeglijkheid beperken en de pijn te erg wordt, komt u in aanmerking voor een halve of totale knieprothese.

Prothesen

Er zijn twee typen prothesen: de halve en de totale knieprothese.

Soms is er alleen de slijtage aan binnenzijde of buitenzijde van het gewricht. In die gevallen kan volstaan worden met een halve knieprothese.


De meest gebruikte is de totale knieprothese, die al het kraakbeen van dijbeen en scheenbeen vervangt. Bij deze operatie maakt de orthopeed aan de voorkant van de knie een verticale snee. Daarna verwijdert hij de versleten uiteinden van het dijbeen en scheenbeen en vervangt hij dit door metalen prothesedelen. Daartussen komt een plastic schijfje, dat zorgt dat de metalen prothesedelen soepel bewegen.


Nabehandeling

U kunt de knieprothese nog dezelfde dag belasten. U wordt hierin begeleid door de fysiotherapeut. De eerste 6 weken leert u de knie tot meer dan 90 graden te buigen. Na 6 weken heeft u beide krukken over het algemeen geheel afgebouwd voor korte afstanden (max 500m). Voor langere afstanden is dan regelmatig nog enkele weken 1 kruk nodig. De totale revalidatie duurt 4-6 maanden.

 

Complicaties

De kans op een wondinfectie na de operatie is ongeveer 0,5%. Mocht de wond rood worden of na 10-14 dagen blijven lekken, dan is een schoonmaak operatie nodig met daarna antibiotica.

Het kan zijn dat de knieprothese niet uw hele leven meegaat. De prothese kan dan los gaan zitten. De knieprothese kan dan eventueel weer vervangen worden. Na tien jaar voldoen meer dan 95% van de geplaatste knieprothesen nog aan gestelde voorwaarden (na vijftien jaar, 85%).

Nabloeding: in de eerste twee weken na de operatie kan een lekkend bloedvat ervoor zorgen dat bloed zich ophoopt in de knie. Soms komt er bloed door de wond naar buiten. Het gewricht wordt rood, erg dik en pijnlijk.

Trombose: om te voorkomen dat een bloedvat plotseling kan afsluiten, zult u de eerste vier weken na de operatie bloedverdunnende medicijnen (injecties) moeten gebruiken. Er is sprake van trombose als er een (ongewenst) stolsel ontstaat in een bloedvat, meestal in de kuitader. Het onderbeen is hierbij pijnlijk, zwelt op en wordt licht rood en glanzend.

Instabiliteit en prothesen

Schouder behandeling

Instabiliteit en prothesen

 Anatomie

De schouder is het meest beweeglijke gewricht van het lichaam. Als onderdeel van een keten van gewrichten, spieren en banden, laat de schouder de arm ten opzichte van het bovenlichaam bewegen.

De keten van gewrichten, spieren en banden (ligamenten) noemen we tezamen de schoudergordel. Het is één van de meest complexe gewrichten van ons lichaam.

 

De schoudergordel bestaat uit:

 

  • Sternoclaviculair gewricht: het gewricht tussen het sleutelbeen (clavicula) en het borstbeen (sternum).
  • Acromioclaviculair gewricht (AC): het gewricht tussen het sleutelbeen (clavicula) en de bovenzijde van het schouderblad (acromion).
  • Scapulothoracaal gewricht: het glijvak (eigenlijk geen echt gewricht) tussen schouderblad (scapula) en borstkas (thorax).
  • Glenohumeraal gewricht: het gewricht tussen de kop van bovenarm (humeruskop) en de kom (glenoid). De kom is een onderdeel van het schouderblad.

 

Spieren

 

Oppervlakkige spieren

  • Musculus Deltoideus (monnikskapspier). Een belangrijke heffer van de arm. Deze loopt van sleutelbeen/schouderblad naar de bovenarm.
  • Musculus Pectoralis Major (grote borstspier). Deze trekt de arm naar binnen en loopt van sleutelbeen en borstbeen naar de bovenarm.

Diepere Spieren (rotator cuff)

De rotator cuff is een groep spieren die vanaf het schouderblad naar de kop van de bovenarm lopen. Deze spieren hechten met hun pezen aan rondom de humeruskop.

De rotator cuff bestaat uit vier spieren:

  • Musculus Subscapularis: aan de voorzijde van de humeruskop.
  • Musculus Supraspinatus: bovenop de humeruskop.
  • Musculus Infraspinatus: boven/achterzijde humeruskop.
  • Musculus Teres Minor: achterzijde humeruskop.

De rotator cuff is belangrijk voor de draaibewegingen in de schouder. Ook speelt deze een grote rol bij het stabiliseren van de schouder. De rotator cuff zorgt ervoor dat andere spieren zoals bijvoorbeeld de Musculus Deltoideus hun werk goed kunnen uitvoeren.

 

Behandelingen

 

Rotator cuff ruptuur, gescheurde schouderpees

De pezen van de rotator cuff zorgen ervoor dat de schouder draaibewegingen kan maken en dat het schoudergewricht stabiel is. Zo zorgen de bovenste 2 pezen er onder andere voor dat de kop van de bovenarm tegen het kommetje van het schouderblad gehouden wordt bij het opheffen van de arm. Door de vorm van het schouderblad is de ruimte die de spieren en pezen hebben om te bewegen echter niet erg groot. Een veelvoorkomend schouderprobleem is een scheur of meerdere scheuren in een of meerdere pezen van de rotator cuff.

 

De oorzaak kan slijtage of ouderdom van de pees zijn of een trauma, zoals een val. Ook een combinatie van beide oorzaken is mogelijk. Op relatief jonge leeftijd (vanaf 45 jaar) kan deze slijtage van de pees, met daarbij een scheur, al voorkomen. Indien een eerdere behandeling, zoals fysiotherapie en/of een injectie met corticosteroïden, onvoldoende resultaat heeft gehad, dan is een artroscopische cuff repair de eerstvolgende keuze.

Door middel van een kijkoperatie wordt de gescheurde pees terug gehecht op het bot met behulp van botankers (een soort van pluggen met hechtdraden). Nadat de schouder is afgedekt met steriele doeken, maakt de chirurg een aantal kleine sneetjes in de schouder. Hierdoor wordt de artroscoop (kijkbuis) in het operatiegebied geschoven en worden de instrumenten tijdens de operatie bediend. Met de artroscoop inspecteert de orthopedisch chirurg (via beelden op een monitor) eerst de hele schouder op eventuele andere problemen.

Vervolgens wordt de pees vrij gelegd van de omliggende weefsels. Hierna wordt de gescheurde pees terug gehecht op het bot van de bovenarm met behulp van botankers. De hechtingen zorgen ervoor dat de pees weer zo veel mogelijk op zijn oorspronkelijke plek komt en de scheur kan genezen. Als er te weinig ruimte tussen het dak van de schouder en de te repareren pees is, wordt een klein stukje van het bot van het schouderdak weggehaald om meer ruimte te maken.

De ingreep duurt ongeveer 30-45 minuten voor een kleine peesscheur en ongeveer 60 minuten voor een grote peesscheur.

 

Schouderinstabiliteit

 

Een instabiele schouder betekent dat het schouderkapsel te ruim is waardoor de kop van de schouder gemakkelijk uit de kom schiet (luxatie). Als de kop na een luxatie weer in de kom zit, herstelt het kapsel zich over het algemeen weer. Treedt er echter vaker een luxatie op, bestaat de mogelijkheid dat het gewrichtskapsel zich niet meer goed herstelt en deze te ruim wordt.

Schouderinstabiliteit kan ontstaan nadat de schouder ten gevolge van een ongeval of een forse stoot geheel of gedeeltelijk uit de kom (het glenoid) is geweest. Bij een schouderluxatie zal in de meeste gevallen de kop naar voren onder uit het kommetje van het schouderblad luxeren. Na een eerste luxatie kan het schoudergewricht instabiel blijven door een beschadiging van het schouderkapsel en de kraakbeenring (het labrum). Een instabiele schouder kan leiden tot het herhaaldelijk luxeren van de schouder, zelfs bij dagelijkse activiteiten.

Als de kraakbeenring (het labrum) van de schouderkom (glenoid) is afgescheurd wordt er een Bankartrepair uitgevoerd. Hierbij wordt de kraakbeenring aan het bot van de schouderkom vastgezet met hechtingen en titanium botankertjes (soort schroefjes)  Bij voorkeur wordt deze ingreep via een kijkoperatie uitgevoerd. Echter bij patiënten die contactsporten als bv rugby of american football bedrijven zal de orthopedisch chirurg kiezen voor een open procedure. Uit onderzoek blijkt dat de resultaten van de kijkoperatietechniek bij american football en rugbyspelers slechter zijn.

Bij een artroscopische procedure is het mogelijk dat de orthopedisch chirurg meteen het kapsel inneemt (het kapsel wordt dan gereefd). Bij het reven wordt het uitgerekte kapsel losgemaakt van het bot van het schoudergewricht en vervolgens weer strakker vastgehecht. Hierdoor ligt het kapsel weer strak om het gewricht, waardoor deze stabieler wordt.

 

Nabehandeling

De opnameduur van deze operatie is gemiddeld 1 à 2 dagen.

Na de operatie komt uw arm in een sling (een soort mitella). De sling voorkomt dat u (actieve) bewegingen maakt. Deze geven te veel spanning op de schouder en vergroten daarmee de kans op het losscheuren van de gehechte pees of het gehecht labrum. Het is belangrijk dat bij het dragen van de sling uw hand hoger ligt dan de elleboog.

U kunt de geopereerde schouder en arm na de operatie niet direct volledig gebruiken. Daarom is het raadzaam om vooraf iemand in uw omgeving te vragen om u tijdelijk te helpen met de (zware) huishoudelijke taken en het doen van boodschappen. Ook is het van belang dat u voor kleding zorgt die u makkelijk aan en uit krijgt, zonder hierbij de arm omhoog te hoeven doen. Na de operatie moet u veel alledaagse handelingen (zoals aan- en uitkleden, toiletgang, eten klaarmaken) met 1 hand uitvoeren. Het is aan te raden dit al voor de operatie te oefenen. Het is belangrijk om veelgebruikte spullen op ooghoogte te leggen zodat u na de operatie niet ver hoeft te reiken.

Houdt u rekening met een revalidatieperiode van ten minste 6 maanden tot 1 jaar. De sling draagt u ten minste 3 weken en in die weken mag u wat passieve (onbelaste) bewegingen maken. Na 3 weken gaat u, na controle in het ziekenhuis, geleidelijk actief (belast) oefenen. De fysiotherapeut geeft u zo nodig uitleg over het bewegen van uw schouder binnen uw pijngrenzen.

 

Complicaties

Het risico op complicaties bij dergelijke operaties aan de schouder is gelukkig klein (<1%). Dit kunnen zijn: infectie, bloeding, voorbijgaande zenuwirritatie, verstijving van de schouder en algemene risico’s.

Voet/Enkel operaties

Behandeling

Voet/Enkel operaties

Anatomie

De enkel wordt gevormd door de 2 botten uit het onderbeen – het scheenbeen (tibia) en het kuitbeen (fibula) – samen met het sprongbeen (talus). Dit gewricht noemen we het bovenste spronggewricht. In de voet bevinden zich 28 botten en 33 gewrichten. De voet bestaat uit 3 gedeelten: de achtervoet, de middenvoet en de voorvoet.

  1. De achtervoet bestaat uit het hielbeen (calcaneus) en het sprongbeen (talus). Het gewricht tussen deze beide botten noemen we het onderste spronggewricht.
  2. De middenvoet bestaat uit diverse voetwortelbeentjes (naviculare, cuboideum, cuneiforme mediale, cuneiforme intermedius en cuneiforme laterale).
  3. De voorvoet bestaat uit de 5 middenvoetsbeentjes (metatarsalia) en de tenen (hallux en phalangen).

Er zijn ook diverse pezen en banden (ligamenten) in de enkel en voet aanwezig. Enkele hiervan zullen we specifiek benoemen:

  1. De achillespees. Dit is de verbinding tussen het hielbeen en de kuitspier. Deze pees zorgt ervoor dat wij op onze tenen kunnen staan.
  2. De tibialis posteriorpees. Deze pees loopt aan de binnenzijde van de voet en enkel. Bij een doorgezakte voet kan deze pees opgerekt of beschadigd raken.
  3. De fascia plantaris. Dit is de sterke band die in de voetzool loopt van de kopjes van de middenvoetsbeentjes tot aan het hielbeen. Deze structuur is erg pijnlijk bij het zogenaamde hielspoor.
  4. De enkelbanden. Aan de binnen- en buitenzijde van de enkel. Deze zorgen voor stabiliteit.

 

Aandoeningen

 

  1. Klauw/hamertenen

 

Met zowel klauw- als hamertenen worden tenen bedoeld waarbij het eerste kootje gestrekt is en naar boven wijst. Als het eindkootje gestrekt staat, is het een hamerteen. Is het eindkootje gebogen, dan noemen we dit een klauwteen. Vaak gaan deze vormen echter in elkaar over. Bij beide vormen is de top van de kromming tussen het eerste en tweede kootje pijnlijk.

Oorzaak

We maken onderscheid in soepele en stijve klauw/hamertenen, omdat dit van invloed is op de behandeling. Zowel uw grote teen, als de overige tenen, kunnen een klauw/hamerteen zijn. De grote teen heeft twee teenkootjes (vergelijkbaar met de duim) en de overige tenen hebben drie teenkootjes (vergelijkbaar met de vingers).

Klauw/hamertenen kunnen veroorzaakt worden door:

  • artrose (slijtage) van de tenen;
  • scheefstand van de grote teen (hallux valgus) die tenen wegdrukt;
  • een doorgezakte voorvoet;
  • een te lange teen ten opzichte van de andere tenen;
  • het dragen van te nauwe schoenen.

Klachten

Klauw/hamertenen veroorzaken als belangrijkste klacht pijn als gevolg van eelt of likdoorns op de teenknokkels en teentoppen. Eelt en likdoorns ontstaan door druk als gevolg van de afwijkende stand van de tenen. Vooral in de schoen kan dit pijnlijk zijn.

Behandeling

In de meeste gevallen wordt gestart met een niet-operatieve behandeling. Helpt dit onvoldoende om de pijnklachten te verminderen, dan kunt u in overleg met uw orthopedisch chirurg besluiten tot een operatie.

Niet opereren

De behandeling van klauwtenen begint met schoenadvies en vaak ook steunzolen. Dit kan voldoende zijn om uw pijnklachten te verhelpen.

Operatie

Als een niet-operatieve behandeling onvoldoende helpt, kan een operatie zinvol zijn. Tijdens deze operatie wordt het gewricht tussen het eerste en tweede kootje samen met een deel van het eerste kootje verwijderd. Daarbij wordt gekeken of er nog extra bot weggehaald moet worden om de botten wel of niet aan elkaar vast te laten groeien. Beide opties (resectie-artroplastiek of artrodese) geven over het algemeen een goed en vergelijkbaar resultaat. Als u een stijve klauwteen heeft, kan tijdens de operatie ook het gewricht richting middenvoet meegenomen worden. Ook kan het nodig zijn om pezen te verlengen, zodat de teen recht uitgelijnd kan worden.

In de meeste gevallen wordt een metalen pen van 1.2 of 1.4 millimeter (Kirschner-draad) door de teenkootjes en middenvoetsbeentje(s) geboord om de teen in de goede stand vast te zetten.

De ingreep vindt meestal in dagbehandeling plaats. U krijgt een ruggenprik, narcose of plaatselijke verdoving in een behandelkamer.

 

Na de operatie

Na de operatie mag u nog dezelfde dag naar huis. Om uw voorvoet heeft u dan een drukverband. Als er een metalen pen in de teen is geplaatst, mag u niet op uw tenen staan of lopen tot de pen eruit gehaald is. Dit gebeurt meestal drie tot vijf weken na de operatie. Tijdens deze periode moet u een hakschoen dragen, om uw voorvoet rust te geven.

Complicaties

Botten groeien vast, maar niet in de juiste stand

Door de verkeerde stand van de teen die hierdoor ontstaat, kunt u pijnklachten houden. Een vervelende complicatie die reden kan zijn om opnieuw te opereren.

Bot groeit niet vast (non-union, pseudo-artrose)

Soms groeit bot niet vast, terwijl dit wel de bedoeling kan zijn. Gelukkig is deze complicatie zelden reden om opnieuw te opereren.

Breken van de metalen pen

Als uw teen na de operatie te veel bewogen of belast wordt, breekt de ijzerdraad. Opnieuw opereren is in dat geval nodig.

Algemene complicaties

Infectie: helaas is infectie een mogelijke complicatie bij elke operatie. Een infectie komt na een operatie aan een klauw/hamerteen niet vaak voor, maar als het gebeurt, kan operatief spoelen noodzakelijk zijn.

Trombose: verstopping van een ader doordat het been minder beweegt. Het wel of niet geven van bloedverdunners is een lastige afweging omdat bloedverdunners ook risico’s (bloeding) met zich meebrengen.

Doofheid rondom het litteken: door de huidsnede worden de huidzenuwen beschadigd. Dit geeft een doof gevoel in een gedeelte van de huid rondom de operatiewond. Meestal verdwijnen deze klachten in de loop van de tijd vanzelf. Soms zijn ze echter blijvend.

CRPS (dystrofie): ontregeling van de balans in de voet door de operatie wat zich kan uiten in diverse klachten zoals pijn, zwelling, verkleuring, temperatuursveranderingen, plaatselijk meer zweten of meer haargroei. Bij verdenking hierop wordt u naar de (pijn)poli van de anesthesie (narcotiseur) verwezen, zij zijn hierin gespecialiseerd.

 

 

 

  1. Hallux valgus

Hallux is de Latijnse naam voor ‘grote teen’. Hallux valgus beschrijft een standafwijking, waarbij de grote teen naar buiten gaat staan in de richting van de kleine teen. Hierbij ontstaat een soms pijnlijke, botbobbel met een slijmbeurs (bunion) aan de binnenzijde van de grote teen. Op den duur komt de teen zelfs in een gedraaide stand te staan.

Er bestaan 2 vormen, de juveniele vorm die al op kinderleeftijd optreedt, en de volwassen vorm. De aandoening komt meer bij vrouwen (90%) voor dan bij mannen. Deels is er een erfelijke factor. Bij 60% van de vrouwen met een hallux valgus hebben meerdere familieleden dezelfde kwaal. Vaak is er sprake van een doorgezakte voet en een verkorte achillespees. Verder hebben de damesschoenen waarschijnlijk een aandeel in het ontwikkelen van een hallux valgus. De schoen is vaak te smal voor de voet, en door de hak komt meer druk op de voorvoet.

Klachten

Veel patiënten met een hallux valgus hebben geen klachten.
Als er pijn optreedt, is dat meestal ter plaatse van de bunion, die door druk van de schoen geïrriteerd kan raken. Er ontstaat een pijnlijke, rode slijmbeursontsteking. Ook kan door de scheve stand van de grote teen pijn optreden of een drukplekje ontstaan bij de tweede teen, die in de knel komt te zitten.

Op basis van lichamelijk onderzoek wordt de diagnose hallux valgus gesteld.

Aanvullend zal een röntgenfoto gemaakt worden, om te zien of er tevens sprake is van slijtage van het gewricht tussen middenvoetsbeentje en grote teen, en hoe ernstig de standafwijking van de botdelen röntgenologisch is. Dit wordt opgemeten en uitgedrukt in graden.

Bij een hallux valgus wijst de grote teen naar buiten. De hoek tussen de as van het eerste middenvoetsbeentje en de grote teen is vergroot. Hierdoor ontstaat een pijnlijke knok (bunion) aan de binnenzijde.

 

Behandeling

 

Aanvankelijk zal de behandeling gericht zijn op het oplossen van de klachten zonder dat een operatie hiervoor nodig is (conservatief). De opties zijn:

Draag geen schoenen met een extreme hak, of schoenen die aan de voorzijde heel smal zijn

Koop schoenen van zacht leer, en laat deze eventueel oprekken ter plaatse van de bunion.

Uw orthopedisch chirurg vindt vaak naast de hallux valgus ook een platvoet (pes planum) of pijn en eelt onder de bal van de voet (metatarsalgie). Met een steunzool zijn deze afwijkingen vaak goed te verhelpen.

Operatie

Als ondanks bovenstaande maatregelen de hallux valgus pijnlijk blijft, kan in samenspraak met uw behandelend arts besloten worden om de standsafwijking tijdens een operatie te corrigeren. Er zijn zeer veel verschillende technieken om de stand te corrigeren. De bij u gekozen techniek zal onder andere afhangen van de ernst van de afwijking, eventueel bijkomende artrose, uw leeftijd en activiteitenniveau.

De operatieve ingreep bestaat uit verschillende methoden, vaak wordt gebruik gemaakt van een combinatie van:

  1. Weke delenherstel: hierbij worden de structuren rond het gewricht aan de basis van de grote teen hersteld, die waren gekrompen of uitgerekt door de hallux valgus.2. Osteotomie: afhankelijk van de plaats en ernst van de afwijking wordt in het middenvoetsbeentje het bot doorgezaagd (osteotomie) en in gecorrigeerde stand weer aan elkaar gezet.  Hiervoor zijn allerlei technieken mogelijk zoals de Chevron osteotomie, Scarf osteotomie, osteotomie volgens Hohman, Wilson e.d.

Vaak wordt tevens een klein wigje weggehaald uit de teen zelf om te zorgen dat hij helemaal recht staat (AKIN osteotomie).

  1. 3. Artrodese: als er tevens sprake is van ernstige slijtage (artrose) van het gewricht tussen het middenvoetsbeentje en de grote teen (hallux rigidus) of de standafwijking te groot is, wordt dit gewrichtje vastgezet.

Nabehandeling

De nabehandeling varieert, afhankelijk van de gebruikte techniek en fixatiemethode. U kunt nabehandeld worden in gips of met een steunend drukverband (soms met een zogenaamde teenspica). U mag de voet de eerste week niet belasten. Na 1 week mag u belasten in een gipsschoen of een spalk in combinatie van een klittenbandschoen. Dit draagt u tot 6 weken na de operatie. Hierna zal u alleen nog voor de nacht een spalk gebruiken voor nog 6 weken. In deze periode is gerichte behandeling door een fysiotherapie van belang aangezien de grote teen vaak stijf wordt ten gevolgen van de operatie.
Vaak hebben patiënten het eerste half jaar na de operatie nog last van een stijf gevoel of een zwelling in de teen.

Complicaties

Wondinfectie: in dit geval zult u enkele keren extra gecontroleerd worden en mogelijk gedurende een aantal dagen behandeld worden met antibiotica in tabletvorm.

Pseudartrose: soms groeit het bot bij de osteotomie niet binnen de verwachte tijd van 6 weken aan elkaar. Uw behandelend chirurg kan dan besluiten, u langer met gips te behandelen. Zelden moet in een dergelijk geval nog een tweede keer geopereerd worden.

Trombosebeen: hiervoor wordt u geadviseerd na de operatie zo snel mogelijk uw kuitspier te gaan oefenen. Dit doet u door uw voet telkens op en neer te bewegen (“richting de neus trekken en naar de grond te bewegen.”) Als u onderbeensgips heeft dat deze bewegingen niet toelaat, wordt u voor die tijd beschermd met een bloedverdunnend medicijn Fraxiparine.

Recidief: Soms groeit de teen, jaren na de eerste operatie, terug in de oude stand. De operatie kan dan nog een keer herhaald worden.

Hand en pols behandeling en operaties

Behandeling

Hand en pols behandeling en operaties

Hand en pols

In 50% van de gevallen van Hand- en Pols klachten is er geen operatie nodig.
Vaak kunnen we met spalk en handtherapie mensen klachtenvrij krijgen. 

Meest voorkomende klachten zijn:

Ziekte van Dupruyten

Een aandoening die leidt tot het krom trekken van de vingers. Dupruyten wordt gekenmerkt door ontstaan van bindweefsel, knokkels of strengen in de handpalm.

Behandelingsmogelijkheden:

  • Naaldmethode
    • Hierbij worden kleine gaatjes in de streng geprikt, waardoor deze verzwakt en en breekt waardoor de vinger weer in haar normale stand terugkomt.
  • Injecties met collagenase
    • Hierbij wordt het enzym collagenase on het Dupruyten weefsel ingespoten waardoor de streng verzwakt en de vinger uiteindelijk weer kan worden gestrekt
  • Operatie
    • Hierbij wordt al het Dupuytren-weefsel via incisies in de huid verwijderd. Deze ingreep vindt plaats onder een blokverdoving of algehele narcose.

Triggervinger of hokkende vinger

De Triggerfinger, ook wel tenosynovitis stenosans of hokkende vinger genoemd, is een pees aandoening die veel voorkomt. Een triggervinger is een vinger die bij buigen ineens op slot kan schieten. U hoort een een klikje en u moet dan soms uw andere hand gebruiken om de vinger weer recht te trekken.

Behandelingsmogelijkheden:

  • Spalk
    • Het doel van deze behandeling is om de zwelling af te laten afnemen, zodat de pees weer goed door de tunnels (pulley’s) kan glijden. ’s Nachts slapen we vaak met onze vingers in een vuist. De buigpezen kunnen dan niet goed tot rust komen. Een nachtspalk of ringspalk kan dit tegen gaan. Het effect van spalktherapie is vaak na ze tot acht weken merkbaar.
  • Injectie met cortisone steroïden
    • Steroïden hebben als doel de zwelling rondom de pees te laten afnemen. Zeker bij triggervingers die nog niet langdurig bestaan kan dit een goed effect hebben. Ongeveer 70-80% van de mensen heeft baat bij een injectie. Helaas is de kans dat het terugkomt na enige tijd wel aanwezig
  • Operatie
    • Indien bovenstaande behandelingen niet helpen, of iemand wil graag zo snel mogelijk van zijn klachten af dan is een operatie de volgende stap. Meestal vindt dit plaats onder plaatselijke verdoving. Hierbij wordt de vernauwde pulley geopend en indien van toepassing de zwelling van de pees verwijderd.

Carpaal tunnel syndroom

Het carpaal tunnelsyndroom is een klachtenpatroon veroorzaakt door een beknelling van de middelste armzenuw ( nervus medianus) in het verloop van de carpale tunnel. De carpale tunnel is een nauw kanaal gevormd door de handwortelbeentjes en een stevig peesblad tussen pink- en duimmuis aan het begin van de handpalm. In deze tunnel lopen pezen waar de vingers mee gebogen kunnen worden (buigpezen) en de zenuw. De zenuw is het gevoeligst voor druk

Behandelingsmogelijkheden:

  • Spalk
    • Het doel van deze behandeling is om de pols rust te geven en de klachten kunnen afnemen
  • Injectie met cortisone steroïden en een plaatselijk verdovingsmiddel
  • Operatie
    • De hand wordt plaatselijk verdoofd. De verbinding tussen de pink en duimmuis, het dak van de carpale tunnel wordt doorgesneden. Hierdoor wordt de inhoud en dan vooral de zenuw van de beknelling verlost.